Leefgebieden

Arctis De Subarctis Het Noordoosten Het Zuidoosten Prairies and Plains
Het Plateau De Noordwestkust Het Grote Bekken Californië Het Zuidwesten

Leefgebeiden van de Noord Amerikaanse Indianen.

  De Arctis

In de voorstelling van de bewoners van gematigde streken is het Poolgebied, de Arctis, óf een nutteloze woestenij van ijs en sneeuw óf de laatste wildernis waar dieren en planten nog ongestoord leven volgens de kringloop van de natuur. De Eskimo’s en de Aleut, of Aleoeten, is dit land hun thuis waar de voorouders in de loop der eeuwen de noodzaketdjke bekwaamheden hebben ontwikkeld om onder de barre omstandigheden van het hoge noorden de verbazingwekkende rijkdom te kunnen benutten.

Eskimo´s en Aleut:

Het geboorteland van de Eskimo’s en de Aleut strekt zich uit van de Aleutian Island in het noorden van de Grote Oceaan via het kustgebied van Alaska en Canada tot aan Groenland. De voorouders van deze volkeren behoorden tot de laatste immigranten uit Azië. Het is nog niet duidelijk of zij al meer dan 8000 jaar of een kleine 5000 jaar geleden de oversteek hebben gemaakt. Wel kan men aan het begin van het derde millennium v.C. in Alaska al duidelijke Aleut- en Eskimo-culturen herkennen. Vanaf hier werden ruim 4500 jaar geleden grote delen van de Arctis voor het eerst door mensen gekoloniseerd. Uit vondsten van de zogenaamde arctische kleine-werktuigentraditie, die zich in korte tijd van Alaska naar het oostelijk Poolgebied uitbreidde, duiden erop dat de eerste bewoners van de jacht leefden. Zij hadden pijl en boog uit Azië meegenomen en belaagden vooral de muskusos. Ook joegen zij op dieren in zee. Duidelijke kenmerken van de Eskimo-cultuur zo rond het midden van het eerste millennium v.C. schijnt men te vinden in het zuidoosten, in de buurt van de Hudsonbaai, bij het kouder worden van het klimaat. Men jaagde met harpoenen op zeezoogdieren en woonde in halfondergrondse woningen, leden van deze cultuur, ook wel de Dorset-cultuur genoemd introduceerden voorwerpen als stenen traanlampen en werktuigen van geslepen leisteren, die kenmerkend zouden worden voor de Eskimo´s. Vauit Alaska, waar zich tegelijkertijd met de Dorset-cultuur en duidelijk onder Siberische invloed- een op zee gerichte levenswijze had ontwikkeld, voltrok aan het einde van het eerste millennium n.C. de laatste grote volksverhuizing in oostelijke richting. Deze nieuwkomers, die men duidelijk kan herkennen als de voorouders van de huidige Inuit, waren uitgerust met boten en betere harpoenen en voorzagen in het grootste deel van hun levensonderhoud door de jacht op walvissen en andere grote zeezoogdieren.

De vele Eskimo-culturen.

Hoewel het cultuurgebied van de Eskimo´s en de Aleut als de Arctis, het Noordpoolgebied, wordt aangeduid, leefden lang niet alle hier genoemde volkeren binnen de poolcirkel of in de eeuwige sneeuw. De Aleut konden op de naar hen genoemde eilanden en het schiereiland van Alaska in een dankzij een warme golfstroom relatief mild, maar zeer vochtig klimaat in hun levensonderhoud voorzien. Op de ijsvrije zee jaagden zij op walvissen, zeeleeuwen en zeehonden en op vis. De Koniag en de Chugach ( de Pacifische Eskimo ) aan de zuidkust van Alaska woonden deels in bossen die doen denken aan wouden die kenmerkend zijn voor het zuidelijk aangrenzend cultuurgebied, de Noordwestkust. Met het vlees van zeezoogdieren en grote hoeveelheden zalm konden vaste nederzettingen met honderden inwoners van voedsel worden voorzien. De Yupik hadden in de waterrijke delta van de Yukon en de Kuskokwin een ruime keus aan watervogels en wild en de jaarlijks terugkerende zalmen, die in de lente stroomopwaarts trekken tot in de bosgebieden om de heldere zoetwatermeren te paaien. De Inupiaq aan de kust van de Beringzee en de Noordelijke Ijszee leefden in de eerste plaats van de walvisvangst, waarin zij uitermate bedreven waren. Aan het einde van de negentiende eeuw werden Inupiaq vaak door Amerikaanse walvisvaarders in dienst genomen. Zij kwamen ondermeer terecht aan de monding van de Mackenzie Rivier in Noord-Canada, waar zij zich met de door ziekten gedecimeerde bevolking vermengden. Hun nakomelingen noemen zich nu de Inuvialuit. Ver van de warme golfstroom stonden de Copper Eskimo´s de Netsilik en de Iglulik in het centrale Poolgebied van Canada van alle poolvolkeren het meest bloot aan de strenge klimatologische omstandigheden. Stormen geselden de open vlakten, en temperaturen van min 50 graden Celsius waren geen zeldzaamheid. In de korte zomer volgden kleine familiegroepen van de Copper Eskimo en de Netsilik de kariboekudden op de toendra, in de winter zocht men het ijs van de dichtgevroren zee op waar zich vaak verscheidene familiegroepen verzamelden in winterdorpen van iglo´s. Hier leefden zij vooral van de jacht op zeehonden. Op Baffinland, het woongebied van de Iglulik, jaagden de oudere, ervaren jagers op walrussen in het drijfijs terwijl de jongere mannen met hun gezinnen in het binnenland van het eiland probeerden zoveel mogelijk vlees van de kariboes en muskusossen te bemachtigen, voordat zij in de herfst naar de kust terugkeerden om in grote gezelschappen de winter op het ijs door te brengen. Aan deze jaarlijkse verandering van woonplaats kwam voor de Inuit in de loop van de twintigste eeuw een eind toen zij zich blijvend gingen vestigen in de buurt van missie-en handelsposten en millitaire bases. Ook de Inuit van Labrador aan de oostkust van de Hudsonbaai gingen in de zomer op jacht in het binnenland en keerden als de dagen korter werden terug naar de rand van het ijs. De Groenlandse Inuit moesten zich vanwege de gletsjers, die het grootste deel van het eiland bedekken, meer richten op de kuststreek en dus op zeezoogdieren. Wat betreft de taal vertoont die van de Aleut, het Aleut, slechts in de verte verwantschap met de Eskimo-talen. Aan het begin van de jaren 1920 leefden in Alaska ca. 4400 Koniag en Chugach, 2600 Aleut, 27.000 Yupik en 160500 Inupiaq, in Canada 31.000 Inuit, en in Groenland 46.400 Inuit. Daarbij komen nog zo´n 900 Yupik en 300 Aleut aan de Russische kant van Straat Bering. Schattingen van de aantallen ten tijde van het eerste contact met Europeanen bedragen 75.000 Eskimo´s en 10.000 tot 12.000 Aleut.

  De Subarctis.

Tussen de boomloze gebieden van de arctische permafrost en de wereldwijde gordel van het gematigde klimaat, strekt zich een leefgebied uit dat bedekt is door dichte naaldwouden van de taiga. In Canada en in het binnenland van Alaska beslaan sparrenbossen, afgewisseld door berken, wilgen, elzen en dennen, een enorm gebied van meer dan vijf miljoen vierkante kilometer. IJskoude, sneeuwrijke winters worden afgewisseld door korte zomers tijdens welke onontkoombare zoemende zwermen muggen zich op alles storten wat warm bloed heeft. Maar deze enorme regio is in geen geval eenvormig.

Volken en talen.

De benaming van de inheemse bevolkingsgroepen van de Subarctis-zoals Cree, Chipewyan, Slavey, enzovoort- geven de indruk dat we hier met goed gedefinieerde volkeren te maken hebben. In werkelijkheid duiden de gebruikte namen echter op taalgebieden en niet op het gevoel van de mensen zelf dat ze bij elkaar zouden horen of zichzelf zo zouden noemen. Het sociale en politieke leven had betrekking op veel kleinere groepen dan een hele taalgroep. De volkeren van de Subarctis behoren in feite tot twee taalfamilies. In het oosten, van het schiereiland Labrador via de zuidelijke oever van de Hudsonbaai tot in het noordoosten van Alberta, worden Algonquin-talen gesproken. Strikt genomen zijn dat er maar twee: in het noorden van het Algonquin-taalgebied grenzen de tien dialecten van de taal Cree-Montagnais-Naskapi aan elkaar in de vorm van een lange band van West-Canada tot aan de Atlantische kust. Ten zuiden daarvan worden acht dialecten van het Ojibwa gesproken. Beide talen zijn over de Subarctis wijd verbreid: Cree- en Ojibwa-sprekenden wonen ook in het plains-gebied, en een groot deel van de Ojibwa komt oorspronkelijk uit het cultuurgebied dat het Noordoosten wordt genoemd, vanwaar ze pas in de loop van de afgelopen 300 jaar naar het noorden en westen zijn verdreven. De grenzen tussen de dialecten zijn niet scherp getrokken; in het grensgebied zijn velen tweetalig. Ten noordwesten van de Algonquin- sprekenden wonen de sprekers van de 23 Athapaskan- talen van de regio, waarvan er sommige weer in dialecten zijn onder te verdelen. Een uitzondering onder de Subarctische volkeren vormen de taalkundig geisoleerde Beothuk van Newfoundland, die met enkele honderden leden ooit de enige heersers waren van dit uitgestrekte schiereiland. Dit volk verdween aan het begin van de negentiende eeuw zonder dat cultuur en taal noemenswaardig waren gedocumenteerd. De bewoners van de Subarctis waren bijna geheel afhankelijk van de jacht en leefden daarom in uiterst onzekere omstandigheden. Hongersnood was geen zeldzaamheid en deed zich voor als het geluk de jagers niet mee zat of als de voorraden waren verwoest door veelvraten, beren of vijanden.

  Het Noordoosten.

Tussen de wolkenkrabbers van de grote steden aan de Atlantische kust en de eindeloze graanakkers in het dal van de Ohio doen nu nog maar weinig onaangetaste landschappen denken aan de zuivere natuur van het noordoosten van de VS, die onmetelijke uitgestrektheid van wouden…..gelijkmatig bestrooid met de schittering van spiegelende meren en doorsneden door de kronkelende lijnen van rivieren, die James Fenimore Coopers ( 1789-1851 ), Helden Nattty Bumppo, Chingachgook en Uncas nog via smalle paden doorkruisten. Maar de noordoostelijke wouden waren ook niet onaangetast gebleven onder de oorspronkelijke bewoners, die met het aanleggen van akkers en de bouw van nederzettingen op minder dichtbegroeide plaatsen gebruik maakten van hun natuurlijke omgeving en deze daarmee ook veranderden. De Europese kolonisatie resulteerde echter in grootschalige ontginning, intensieve houtkap, het droogleggen van natte gebieden, invoer van planten en niet op de laatste plaats de verstedelijking en leidde tot een definitieve verandering van het oorspronkelijke leefgebied.

Bossen en open landschappen.

Ooit bedekten bossen bijna de hele regio tussen de Atlantische kust en het dal van de Mississipi. Het loofbos bestond vooral uit eiken, kastanjes en bitternoten ( hickory ); naar het noorden toe ging het geleidelijk over in een gemengd bos van esdoorn of ahorn, berk, beuk en Canadese spar. Via de hoger gelegen delen van de bergruggen van de Appalachen drong het naaldbomenwoud van de aangrenzende Subarctis als een ruwe tong door tot in de gematigde streken. Op de vlakten ten zuiden en westen van Lake Michigan veranderden de dichte bossen in een open landschap waarvan de met gras begroeide open plekken langzaam overgingen in de prairies van het westen. Het vochtige landklimaat van het gebied tussen de Subarctis in het noorden en de subtropen in het zuiden bracht warme tot zeer warme zomers, en vooral in het noorden sneeuwrijke winters. Dit was het leefgebied van een gevarieerde dierenwereld. Naast allerlei soorten herten, zwarte beren, wasberen,bevers en allerlei andere pelsdieren, die niet alleen de noodzakelijke eiwitten leverden maar ook huiden voor kleding en onderkomen, waren er ook roofdieren als de lynx en de poema. De poema speelt vooral in de voorstellingswereld van de Algonquin- volkeren een belangrijke rol als de ´onderwaterheerser´ van de onderwereld. Bizons kwamen tot in de zeventiende eeuw nog voor ten oosten van de Appalachen, maar aan het begin van de negentiende eeuw was hun leefgebied beperkt tot het westen van cultuurgebied, aan de oostelijke oever van de Mississipi. De natuurlijke landschappen van het Noordoosten droegen in al hun verscheidenheid bij aan het ontstaan van regionaal verschillende culturen en overlevingsstrategieën, en hadden een beslissende invloed op de geschiedenis van de Europeanen in Amerika. De eerste poging tot kolonisatie was het Atlantisch kustgebied met zijn talrijke eilanden en inhammen. Dit gaat in het zuiden over in een laagland dat doorsneden wordt door de delta’s van de brede rivieren. Het kustgebied, gescheiden van het binnenland door het Appalachen- gebergte en zijn uitlopers, was dankzij de nabijheid van de zee en zijn voedselbronnen en het uitstekende klimaat een zeer aantrekkelijke vestigingsplaats. Een invalsroute om de rest van het continent te verkennen was voor de Europeanen het noordelijk gelegen dal van de St. Lawrence River waardoorheen de vijf grote meren- door het puin van de gletsjers in de ijstijd uitgeschuurd- hun water in de Atlantische Oceaan laten stromen. Via deze waterweg kon men de Appalachen ontwijken, die hier en daar tot 2000 meter hoog zijn en als waterscheiding de regio verdelen in een oostelijk en een veel groter westelijk deel. De vruchtbare dalen van Ohio en zijn zijrivieren, die een verbinding vormen met het Mississipidal, lokten een onafzienbare stroom blanke kolonisten. Al voor de komst van de blanken waren de rivieren als wegennet in gebruik, deze waterwegen werden aangevuld met ontelbare paden met namen als ´Groot Oorlogspad´ en ´Weg van de Boodschapper´. Men had er ook een rijke flora, waaruit de oorspronkelijke bewoners een deel van hun voedsel betrokken maar ook geneesmiddelen, bouwmaterialen, textielvezels en andere grondstoffen, verfstoffen en looimiddelen, evenals liefdes- en jachtamuletten. De Menominee in Wisconsin kenden aan het begin van de twintigste eeuw nog 130 soorten planten die bij het bereiden van medicijnen werden gebruikt, en bijna 50 soorten waarvan de vruchten, wortels of bladeren eetbaar waren. Modern onderzoek heeft uitgewezen dat de Iroquois nu nog 450 planten met een genezende werking kennen, maar deze kennis is verspreid over zo´n 80 personen die in verschillende reservaten in Canada en de VS wonen.

  Het Zuidoosten

Traag stromen de rivieren door het laagland van de kustvlakte, die één van de grote landschapstypen van het Noord-Amerikaanse zuidoosten vormt en meer dan driekwart van deze regio beslaat.

Moerasbos en rode aarde.

De vlakte strekt zich uit langs de kusten van de Golf van Mexico en de Atlantische Oceaan en ook de benedenloop van de Mississipi en het schiereiland Florida maken er deel van uit. In het noordoosten reikt het cultuurgebied het Zuidoosten tot in het huidige North Carolina. Het omvat ook een deel van de zuidelijke Appalachen. Ten westen van de Mississipi woonden landbouwende volkeren in een overganszone naar de grote vlakten. Een zelfstandige randzone in het zuidoosten vormt het cultuurgebied van de golfkust, dat het zuidelijk deel van het kustgebied van het huidige Texas omvat en de regio rond de benedenloop van de Rio Grande. Over de oorspronkelijke bevolking van deze streek is slechts zeer weinig bekend. De rivieren, waarvan de afgezette grond een vruchtbare sliblaag vormt, voorzien de ontelbare moerassen in het laagland permanent van water. Het laagland van de kust grenst aan het Piedmontplateau dat ten oosten en zuiden tegen de Appalachen aanligt. Vanuit deze heuvels storten de rivieren zich als watervallen en stroomversnellingen over een steile rand in het landschap, de zogenaamde ‘fall line’in de vlakte. Hier waren al in de pre-Europese tijd grote stammen gevestigd, die zowel van de natuurlijke rijkdom van de vlakte als van de Piedmonts gebruik maakten, en vooral van de rijke visstand in de rivieren. Uiteindelijk gaat het heuvelland over in de zuidelijke Appalachen, een middelhoog gebergte waarvan Mount Mitchell als hoogste top iets meer dan 2000 meter hoog is. Er zijn slechts weinig passen via welke men de door lengtedalen en plateaus gescheiden, van noordwest naar zuidoost lopende bergketens kan doorkruisen. Ze vormden voor de blanke kolonisten tot aan het begin van de negentiende eeuw een moeilijk te nemen hindernis, waar men in het zuiden omheen moest trekken. De bossen, met uitzondering van naaldwouden in de bergen, zijn een voortzetting van het gemengd loofbos van eik en bitternoot van het noordoosten. In het laagland aan de kust gaan ze over in wouden van den en dwergeik; verder naar het zuiden vormen magnolia’s, cipressen, palmetto´s en riet de kenmerkende vegetatie. Mangrovebossen staan langs de westkust van Florida. Al voor de komst van de Europeanen gingen bewoners stukken land ontginnen door de begroeïng in brand te steken. Zo zijn ook graslanden ontstaan in oorspronkelijk beboste gebieden van de Apalachen en de Piedmonts waardoor de jacht op herten en bosbizons eenvoudiger werd. Grote afvalhopen, voornamelijk bestaande uit mosselschelpen, tonen aan hoe belangrijk de mossel als voedselbron voor de oorspronkelijke bewoners van het land was. Het warm- gematigde tot subtropische klimaat van het zuidoosten wordt gekenmerkt door milde winters en vochtige, hete zomers. De zuidwestenwinden zorgen vooral in het warme seizoen voor veel neerslag. In de hoger gelegen gebieden van de Apalachen is het kouder, en ook hier regent het vooral ´s zomers. Vegetatie en vruchtbare, rode aarde waren gunstige voorwaarden voor de intensieve landbouw van de indianen. De door de blanken ingevoerde plantage- landbouw heeft het oorspronkelijke leefgebied ingrijpend veranderd en het is de vraag of de oorspronkelijke bewoners- die bijna allemaal zijn uitgeroeid of verdreven- hun oude woongebieden nog zouden herkennen. Van dit algemene beeld van het zuidoosten wijkt de regio van de golfkust aan beide zijden van de Rio Grande sterk af. Rond de monding van deze rivier, die nu de grens tussen Texas en de Mexicaanse staa Tamaulipas vormt, strekt zich een kustvlakte tot 200 km diep landinwaarts uit, die in het westen begrensd wordt door de uitlopers van de Sierra Madre Oriental. Voor dit deel van de kust van de Golf van Mexico liggen langgerekte eilanden waarachter zich sterk vertakte lagunen bevinden. De graslanden in het noorden van dit gebied gaan naar het westen en zuiden over in de voor Texas kenmerkende boom- en struiksavannen. In het zuiden loopt de benauwde- hete kustvlakte tot aan het gebied van de grote culturen van Mesoamerika, in het noorden gaat ze over in de Mississipidelta. Hier grenst de vlakte aan het gebied dat het meest door de grote culturen van Mexico beinvloed werd.

  Prairies and Plains.

Het populaire beeld van ´de indianen´ als trotse krijgers en bizonjagers met wapperende verentooi- mannen als Sitting Bull, Red Cloud en Crazy Horse- is al in de negentiende eeuw ontstaan toen de opzienbarende vrijheidsstrijd van de volkeren van de Prairies en Plains de voorpagina’s van de Amerikaanse kranten haalde en- zij het nog slechts geissoleerd_ stemmen opgingen om eindelijk een einde te maken aan de wrede strijd. De ´Wild West Shows´ van Buffalo Bill en de talloze romans en films in de twintigste eeuw hebben dit beeld van de indianen wel versterkt, maar er slechts zelden toe bijgedragen om de levenswijzen van de volkeren van de Prairies en Plains in al hun verscheidenheid zonder clichés te laten zien.

Op de Grote Vlakten.

De Prairies en Plains, die gezamenlijk ook wel de Great Plains of Grote Vlakten worden genoemd, vormen met hun oppervlak van 2,5 miljoen vierkante kilometer één van de grootste graslandschappen op aarde. Zij strekken zich uit van het Mississipidal naar het westen tot de voet van de Rocky Mountains en van de Midden-Canadese provincies naar het zuiden tot de Rio Grande in Texas. Het oostelijk deel van dit graslandschap, de prairies, was oorspronkelijk een steppe met lange grassoorten en kruiden en struiken, met hier en daar een klein bosgebied. De grond is donker, bijna zwart en zeer vruchtbaar. Nu vormen de prairies de Corn Belt, de graanschuur van Noord-Amerika. Het westelijke deel van de Grote Vlakten, de plains die tot een hoogte van 1800 meter in de Rocky Mountain uitstrekken, is door de geringe neerslag van minder dan 500mm per jaar een steppe met korte grassoorten en heel weinig bomen. Vanwege de extreme klimatologische omstandigheden- koude winters met temperaturen van niet zelden tot onder de min dertig graden celcius en sneeuwstormen die het land teisteren, en hete zomers waarin het land uitdroogt- konden de inheemse volkeren van de plains geen akkerbouw bedrijven. Deze algemene karakterisering van de Prairies en Plains mag echter de regionale kenmerken niet verdoezelen. Zo zijn het noorden en de verspreid liggende berggebieden als de Black Hills, de Ouachita Mountains en het Ozark Plateau vochtig en gedeeltelijk bebost, terwijl het landschap in het zuiden, de Llano Estacado bijvoorbeeld, een droog en zelfs woestijnachtig karakter heeft. Langs de talrijke rivieren, die allemaal uitmonden in de Missouri of de Mississipi, strekken zich langgerekte galerijbossen uit, wilgenbosjes, populieren, essen en iepen, die de plaatselijke bevolking niet alleen voldoende brandstof, maar ook beschutting tegen de ijzige winterstormen boden.

Bizonjagers.

Voor de invoering van het paard door de Spanjaarden in de zeventiende eeuw waren de plains slechts dunbevolkt. De landbouwende volkeren van de prairies en de jagers van het Grote Bekken en het Plateau kwamen alleen het gebied binnen om op gaffelbokken, bizons of herten te jagen. Vanaf ongeveer 1720 veranderde dit beeld totaal: de bijna onbewoonde vlakten raakten allengs meer bevolkt. De introductie van het paard bood enkele volkeren uit het westen ( Comanche ), noorden ( Athapaskan- groepen ) en oosten ( Sioux- en Algonquin- stammen ) de mogelijkheid om de bizonjacht aan hun levenswijze toe te voegen. De zo ontstane nieuwe cultuur had ook invloed op het leven van de permanent gevestigde stammen langs de rivieren. Bij sommige was de jacht al snel belangrijker dan de landbouw en ze verruilden in de zomermaanden hun vaste huis voor een leren tent om ook achter de kudden aan te jagen. De cultuur van de bizonjagers hield echter niet lang stand. Met de achteruitgang van het bevolkingsaantal door epidemieën en oorlogen begon ongeveer een eeuw na het ontstaan al de teruggang, dat met het uitroeien van de bizons door blanke jagers in 1885 eindigde in hun volledige ondergang.

  Het Plateau.

Een ijzige noordenwind brengt sneeuw en ijs. De temperatuur komt ver onder het vriespunt en zowel planten- als diernleven schijnen in een lange winterslaap te zijn verzonken. Binnen, in de met matten van ´tule´ ( cattail, een soort bies ) bedekte huizen van de Yakima, Nez Perce en Kalispel, of die van houten planken van de Wasco en Wishram, zaten vroeger jong en oud samen rond het vuur te luisteren naar de verhalenvertellers.

Mythische oertijd.

De verhalenvertellers vertelden hun verhalen levendig, zelfs theatraal, en met gebruikmaking van alle beschikbare vertelkundige middelen, verhaalden zij over het ontstaan van de wereld, de komst van de dieren en het verschijnen van de mens op deze aarde. Zij leerden de kinderen ( en de volwassenen ) hoe de rivieren de Columbia en de Fraser hun weg zochten, hoe de rotsen van de grote bergen in het oosten ( de Rocky Mountains ) en de met sneeuw bedekte, uit de Cascade Range opdoemde vulkanen in het westen in de Mythische oertijd zijn geschapen. Deze geografische hoekpijlers markeren het gebied, dat nu als het Plateau wordt aangeduid en dat in het zuiden overgaat in het Grote Bekken. Het behoort tot de Amerikaanse staten Montana, Idaho, Oregon en Washington, en tot de Canadese provincie British Columbia. Terwijl het noorden van het Plateau voornamelijk bedekt is met naaldbossen, is het in het zuiden heuvelachtig en droog. Laatstgenoemd terrein heet ook wel ´hoogwoestijn´ een met graspollen begroeid open steppelandschap, afgewisseld door lichte bossen en enkele zeer diepe ravijnen zoals de Hell’s Canyon, die op het diepste punt met 2000 meter de Grand Canyon overtroeft. Door het hier heersende landklimaat maken de mensen in de zomer temperaturen van 45 graden mee, en in de winter ijzige stormen. Dankzij de beide grote stroomgebieden is er in het cultuurgebied van het Plateau meer water aanwezig dan in dat van het Grote Bekken en het had dan ook een grotere bevolkingsdichtheid ( ca. 1 persoon per vierkante kilometer ).

Plateau – volkeren.

Stenen pijlpunten van de grootwildjagers uit de Clovis-periode (ca. 11.600 tot 10.700 v.C. ) in de laatste IJstijd, vondsten van sandalen van gras bij Fort Rock in Oregon, en resten van even lang geleden gevangen zalmen langs de Columbia duiden op een lange geschiedenis van menselijke bewoning op het Plateau. Maar de semi- nomadische levenswijze, waarbij de Plateau- volkeren in de winter in vaste nederzettingen woonden maar in de zomer op verschillende plaatsen jaagden, visten en plantaardig voedsel verzamelden, is pas aan het begin van het tweede millennium n.C. tot ontwikkeling gekomen. Net als op de in het oosten aangrenzende plains en in het zuiden aangrenzende Grote Bekken veranderde de komst van het paard rond 1730 het leven van de Plateau- bewoners totaal. Nu konden in betrekkelijk korte tijd grotere afstanden worden afgelegd en grotere hoeveelheden bezittingen worden meegenomen. Trektochten van de oostelijke Plateau- volkeren, zoals de Nez Perce, over de Rocky Mountains naar de jachtterreinen van de bizon jagende Plains- bewoners kwamen steeds vaker voor, en daarmee een uitwisseling van goederen en ideeën. Dankzij de grotere mobiliteit en slagkracht veranderden de methoden om oorlog te voeren ingrijpend. In het westelijk deel van de plains hadden de Blackfoot zich in grotere groepen verzameld en bedreigden de Flathead en de Kutenai in het oostelijk Plateau- gebied; het paard, als zichtbaar teken van aanzien en rijkdom, werd het doel van het roven. Het toenemende gevaar van de bereden krijgers van vijandelijke groepen dwong de Plateau- bewoners op hun beurt zich in grotere groepen aaneen te sluiten.

Oregon Trail.

De aanvankelijk in het algemeen vriendelijke houding en aanvaarding van de blanken door de lokale bevolking, vooral als handelspartners, verdween met de sterke groei van het aantal immigranten, die vanaf 1842 via de Oregon Trail het land binnenstroomden. Groepen als de Cayuse en de Nez Perce verzetten zich tegen de inbezitneming van hun territorium door kolonisten, maar werden na militaire nederlagen naar reservaten verjaagd, evenals de groepen die in de jaren 1854-55 hun gebied in verdragen hadden afgestaan en daarmee min of meer afscheid hadden moeten nemen van hun traditionele levenswijze. De huidige situatie in de reservaten is vergelijkbaar met die in andere delen van het land, al wijkt ze er op sommige punten ook vanaf. Met name het Warm Springs Reservation in centraal Oregon geldt als een modelvoorbeeld van een geslaagde zelstandige ontwikkeling van zelfbestuur en economie. Maar ongeacht deze aanpassing aan de moderne wereld wordt in Palm Springs de traditie van het verhalen vertellen bewaard.

  De Noordwestkust.

"Een onbeschrijfelijk gevoel neemt bezit van de ziel als men deze oude en stille wildernis aanschouwt, waar gedurende ontelbare eeuwen bomen alleen door ouderdom zijn geveld", schreef Friedrich von Lutke, een Duitse kapitein in Russische dienst in 1835, diep onder de indruk van de reuzenbomen, die het landschap in de noordwestelijke kuststrook van Amerika bepalen.

Het regenwoud van het noorden.

Tot het cultuurgebied van de Noordwestkust rekent men de hele kuststrook tussen de delta van de Copper River in Zuid- Alaska tot aan de monding van de Chetco River in Oregon. In het oosten wordt het gebied begrensd door de bergketens van de Rocky Mountains: de Chugach en St.Elias Mountains, het kustgebergte van British Columbia en de Cascade Range in het noordwesten van de VS. Het cultuurgebied is het breedst bij de Puget Sound en reikt daar zo’n 350 kilometer landinwaarts. Waar kettingzagen en boortorens het ‘regenwoud van het noorden’onaangetast hebben gelaten, mengt de heersende zoute zeewind zich met de geur van hars en houtmolm, die door de druipend natte wouden wordt uitgeademd. Als twee zelfverzekerde heersers lijken de majestueuze bergen en de beukende oceaan elkaar te omhelzen, en slechts een smalle strook kustbos en strand scheidt de besneeuwde toppen van de grauwgroene diepte van de Grote Oceaan. Op een langs deze strook, waar onheilspellende zwarte wouden op neer kijken, en op en rond een onafzienbaar aantal eilanden, fjorden en ondiepe zandbanken kwam in relatieve afzondering een cultuur tot bloei, die zonder landbouw tot een grote bevolkingsdichtheid leidde en waarbinnen een systeem van sociale klassen tot ontwikkeling kon komen. Het was de enige cultuur in Noord-Amerika die een klasse van beroepshandwerklieden kende, met name van houtsnijders en schilders, die in opdracht van adellijke families werkten.

Pacifische indianen.

De vanuit de Aziatische wateren komende Kuroshio- golf- stroom is de warme levensader van deze rijkdom van de natuur, die zelfs in Zuid- Alaska de kolibrie zoete nectar en zomerse zwoelte biedt. Het spreekwoordelijke dagelijkse brood is hier de zalm. Deze voedde de mensen, die zich nu schertsend wel ‘visindianen’noemen in het gezonde zelfbewustzijn dat ook die bezoekers die tot hun verbazing hier geen Hollywood- ‘veeríndianen’ aantreffen, diep onder de indruk van de pracht van de Pacifische culturen naar huis zullen terugkeren. Al hebben de Pacifische indianen dus weinig overeenkomsten met de ons zo vertrouwde ´bizonjagers´, helemaal zonder een clichématig aanzien zijn ze niet. Deze indianen maken namelijk de bont beschilderde en in rare koppen gehouwen ´totempalen´, die feitelijk ´wapenpalen´ genoemd moeten worden. Deze palen hebben niets te maken met martelen. Hooguit martelden ze de eigenaren met het probleem hoe zij hiermee de verdiensten en rijkdom van hun familie het best tot uitdrukking konden brengen.

  Het Grote Bekken

In het westen van het Noord- Amerikaanse continent strekt zich tussen de Rocky Mountains en de Sierra Nevada een eindeloze halfwoestijn uit: meer dan een miljoen vierkante kilometer zonnehitte, zoutmeren en stekelige droogte vegetatie. De in de bergen ontspringende rivieren bereiken de zee nooit, maar drogen op in zoutmeren- de geografische aanduiding voor dit gebied, het Grote Bekken, is zeer toepasselijk, ook al wordt hiermee alleen het centrum bedoeld van het veel grotere cultuurgebied dat ook het Colorado Plateau in het zuiden, delen van het Columbia Plateau in het noordwesten, en de Snake River Plains in het noorden omvat.

De Grashutmensen.

In het oosten rekent men de tot meer dan 4000 meter hoge bergketens van de Rocky Mountains en de daartussen liggende hoogvlakte tot aan de waterscheiding in het huidige Colorado ook tot het cultuurgebied. In het aan de lijzijde van de Sierra Nevada gelegen westelijk deel van het bekken valt slechts 80 mm neerslag per jaar. Naar het oosten neemt de gemiddelde neerslag toe, maar bereikt pas aan de loefzijde van de Rocky Mountains ( in de Wasatch Range en de Uintah Range ) meer dan 1000 mm. Kenmerkend voor droge gebieden is dat de hoeveelheid neerslag per jaar zeer verschillend kan zijn. In sommige gebieden valt jarenlang geen regen, maar in andere jaren worden ze juist door grote wolkbreuken getroffen. Hoe onherbergzaam dit hooggelegen bekken, deze slenk die op een hoogte van 1100 tot 1500 meter boven de zeespiegel ligt, ook mag lijken, toch presteerden mensen het om in deze omgeving hun basis van bestaan te vinden. Van niet minder dan 350 soorten planten is bekend dat ze op een of andere wijze als voedsel hebben gediend. Hieronder namen de ´pinons´ van de berghellingen een belangrijke plaats in, evenals een aantal soorten riet langs de oevers en in de moerassen van de meren, waarvan het oppervlak in elke droogteperiode slonk, talrijke soorten gras en in het zuidwesten ook eikels en allerlei soorten wilde bonen, zoals de mesquiteboon. Vlees was zeldzaam en moeilijk te pakken te krijgen. Men jaagde zo mogelijk op muildierhert, gaffelbok, dikhoornschaap en zwarte beren, maar vaak waren het hazen, konijnen, prairiehonden, hagedissen en vogels die het menu aanvulden. De mensen in dit gebied, die maar weinig materiële bezittingen hadden vanwege de arme omgeving en hun uiterst mobiele levenswijze- ze verbleven hooguit enkele weken per jaar op dezelfde plaats- kwamen als uitermate arm en droevig over op de eerste reizigers door Amerika. In deze tijd dan de evolutietheorie op de menselijke cultuur werd toegepast, was men van mening dat ze op een zeer lage trede van beschaving. ´Grashutmensen´ of ´wroeters´ (deze laatste term had betrekking op het uitgraven van wortels) waren de meest voorkomende aanduidingen voor deze volkeren in de reisverslagen en de media van de negentiende eeuw.

  Californië.

De kaart van Californië vertoont in het midden een langgerekt dal, dat ingebed is tussen de Klamath Mountains in het noorden, de Sierra Nevada in het oosten, en de Coast Ranges in het westen. De ´Valley´, zoals het gebied wel wordt genoemd, is zo´n 700 km lang en gemiddeld 80 km breed, en ligt tussen tot 4000 meter hoge bergketens.

Tussen bergen en zee.

Er is slechts één doorgang naar de zee waardoor de vanuit het noorden komende Sacramento River en de vanuit het noorden komende San Joaquin River tezamen de Grote Oceaan instromen. De beide rivieren vormen de slagaders van de Valley; ze worden gevoed door de vele zijrivieren, die door de oostelijk en westelijk gelegen zijdalen lopen. In deze niches kon een grote verscheidenheid aan menselijke samenlevingsvormen tot ontwikkeling komen, die echter nooit geheel geissoleerd waren maar altijd deel uitmaakten van de levensgemeenschap van de hele vallei. Eikenbossen en grasvlakten bedekten de vruchtbare bodem, die ooit bewoond werd door talrijke stammenvan de Yukot, Miwok en Nisenan. Duizenden jaren lang konden de mensen hier in een zacht Middellands- Zeeklimaat en relatief ongestoord een levenswijze ontwikkelen, die overwegend gebaseerd was op het verzamelen van eikels en het vangen van zalm. Er werd nergens landbouw bedreven; de natuurlijke omgeving bood zoveel variatie aan voedingsmiddelen dat een slechte eikeloogst niet direct tot hongersnood leidde. Gewapende conflicten waren zeldzaam, omdat om de voedselbronnen eigenlijk niet gestreden hoefde te worden en daarmee was er ook geen noodzaak om duurzame verbonden te sluiten. Het Californische cultuurgebied bestaat echter niet alleen uit de dalen van de Sacramento en de San Joaquin, er zijn andere cultuurprovincies tot ontwikkeling gekomen, die in veel opzichten van elkaar en de grote vallei afwijken. Ten noordoosten van de Valley strekt zich een kleinschalig berglandschap uit met brede rivieren, diepe meren, moerassen in de laaggelegen gebieden en naaldbossen op de hellingen. Afgekoelde lavastromen hebben op sommige plaatsen een maanlandschap gevormd waarin de mensen zich telkens konden terugtrekken als goed verdedigbare bolwerken tegen vijanden, rood of blank. Jachtbuit, vis en wortels van bepaalde soorten waterlelies en camasbollen in de moerassen vormden het voornaamste voedsel van de in dit gebied wonende Shasta, Chimariko, Achumawi en Atsugewi in plaats van eikels, die hier op veel plaatsen ontbreken. Langs de kust in het uiterste noordwesten van Californië wordt het klimaat bepaald door de uiterst vochtige oceaanlucht. Sequoia’s, sparren en dennen vormen dichte wouden, en de in grote scholen stroomopwaarts trekkende zalmen bieden de mensen langs de rivieren een zekere voedselbron. Het is daarom niet verwonderlijk, dat de culturen van dit gebied, zoals die van de Yurok, Wiyot, Karok, Hupa, Tolowa en anderen, veel trekken gemeen hebben met die in het aansluitende cultuurgebied, de Noordwestkust. De lange kust via de San Francisco Bay naar het zuiden tot aan Point Conception tegenover de Channel Islands kent een hoge neerslag, hoewel deze naar het zuiden toe minder wordt. De nabijgelegen Coast Ranges boden de bewoners- Coast Yuki, enkele Pomo-stammen, Coast Miwok, Costano, Salinan en Esselen- toegang tot een aantal verschillende voedselbronnen: de zee, de rivieren, dichte naaldwouden, struikgewas en grasland met de daarbij behorende veelzijdige flora en fauna wisselen elkaar op korte afstand af. Ten zuiden van de San Francisco Bay bevinden zich bijna uitsluitend steile kusten, wat het gebruik van voedselbronnen uit zee aanmerkelijk moeilijker maakte. Het zuidelijk kustgebied en achterland, het woongebied van Chumash-volkeren, Gabrielino, Luiseno, Ipai en Tipai, zijn droogtezones. De in kleine, wijd verspreide nederzettingen wonende mensen moesten zich hier voornamelijk voeden met doorten eikels, die als minderwaardig werden beschouwd. Wanneer zij toegang tot de zee hadden, werd de relatieve armoe aan planten gecompenseerd door een rijk aanbod aan vis, schaaldieren, en zelfs gestrande walvissen. Ten oosten van de Coastal Ranges strekt zich de hete Mohavewoestijn uit waar slechts zeer weinig neerslag valt. De hier wonende Uto-Azteekse volkeren, de Cahuilla, Serrano en Cupeno maakten vooral gebruik van de eiken- en pinonbossen op de berghellingen. Het cultuurgebied Californië in zijn geheel kent een enorme afwisseling in landschap en cultuur op een heel klein gebied; deze lappendeken wordt weerspiegeld in de grote variatie in talen.

  Het Zuidwesten.

De Papago verhaalden hoe de Aardemaker het land schiep. Het Amerikaanse Zuidwesten, het woongebied van Pima en Papago, van Hopi, Zuni, Navajo, Apache en vele andere volkeren wordt door de toeristenindustrie verkocht als het ´land van betovering´.

De woestijn leeft.

Het land was enorm uitgestrekt terwijl hun eigen actieradius beperkt was zodat zij de talrijke ‘betoverde’attracties, die de toerist in zijn moderne vervoermiddel snel kan vinden, nauwelijks allemaal hebben kunnen zien. Een zeer scherpe geest was nodig om hier niet het slachtoffer te worden van hitte of dorst, of van dierlijke of menselijke vijanden. Om te voet de grote afstanden af te kunnen leggen, die de toerist nu per auto binnen enkele uren kan overbruggen, moesten de juiste voorbereidingen worden getroffen. "Daar op de top van de berg bevindt zich een ceremoniële plaats", vertelde een Apache. "De mensen gaan daarheen voordat zij een lange of gevaarlijke reis gaan ondernemen. Ze geloven dat ze veilig terug zullen keren als ze eerst op deze plaats een steen of jeneverbestwijg op de stapel leggen". Magie was een onlosmakelijk bestanddeel van de indiaanse werkelijkheid van het Zuidwesten, in een omgeving die weliswaar als mooi, maar ook als onberekenbaar werd beschouwd.

Mythen.

Veel van de mythen over het land draaien om seksualiteit en vruchtbaarheid. Volgens de overlevering van de Navajo waren er vijf werelden. In de huidige, vijfde wereld hebben de mensen zich voor een grote zondvloed kunnen redden dankzij een stengel die uit de hemel stak. De Navajo- verteller Sandoval verhaalde hoe in de derde, gele wereld de heilige bergen van de Navajo geschapen werden en de geslachten gescheiden, om zich voortaan als eeuwig principe van het leven telkens weer te verenigen. "Een grote rivier stroomde van het noorden naar het zuiden over het land. Dat was de Vrouwelijke Rivier. Er was ook nog een andere rivier, die van oost naar est stroomde, dat was de Mannelijke Rivier. Deze stroomde dwars door de Vrouwelijke Rivier en verder en de naam van deze plaats is: Waar de Stromen Samenkomen". De Papago bezingen de schoonheid van het land na een zomerse regenbui: Zij zagen de aarde uitgestrekt, heerlijk, nat van regen en klaar ( om nieuw leven te geven ). Al lang verdwenen, prehistorische culturen hebben hun sporen in het land en in de mythen nagelaten, ´Ik heb de oude mannen horen vertellen van een grot´, verteld een Apache. ´Daar stralen de zon, de maan, de sterren en de berggeesten aan de wanden…..De mensen beginnen te bidden als ze dat zien´.

Groot cultuurgebied.

Antropologen beschouwen het Zuidwesten, los van iedere politieke grens, als één groot cultuurgebied. Het omvat de Amerikaanse staten New-Mexico en Arizona en een deel van Texas en loopt tot ver in Mexico langs de kust van de Golf van Californië tot voorbij de kreeftskeerkring. De zuidgrens loopt door de Mexicaanse staten Colima en Aguascalientes, de oostgrens volgt de Sierra Madre Oriental dwars door de stta Coahuila. In de meeste streken is het klimaat droog met koude winters, waarin de temperatuur lang onder het vriespunt kan liggen, en zeer hete zomers. In de dalen van de Colorado en de Gila River en langs de Rio Grande was landbouw op grote schaal mogelijk. In andere streken konden de bewoners hier en daar op kleine stukjes grond mais en bonen verbouwen.